Hobbelend, kreunend, wiebelend. Het is regenseizoen in Myanmar en dat is merkbaar. Zou de trein het de komende 16 uur vol kunnen houden? Of ontsporen we ergens halverwege? Vervallen straatbeelden, afval langs de zanderige wegen, kinderen die over het spoor rennen. De trein rijdt langs ghetto-dorpjes. Huisjes van riet en golfplaten, die zijn omringd door afval: plastic, blikjes, talloze resten van consumptiemiddelen.
We passeerden zojuist een aantal marktkraampjes, die langs het spoor, haast op de rails stonden. Met een geur van urine die de treincabine binnendringt, probeert men mais, brood, groenten, horloges en andere prullarie te verslijten. We fotograferen de marktlui. Een vrouw lacht vriendelijk naar ons en neemt een pose aan. “Wat zou zij nu denken?”, “Wat gaat er door haar hoofd als ze gefotografeerd wordt door een toerist?” We rijden verder.
Het landschap is oogverblindend.
Rijstvelden, waterplassen, rivieren. Puurheid, onaangeraakt door de commercie. Beelden die alleen in humanitaire -en reisdocumentaires voorkomen. Het leven zoals het is ontstaan. Helemaal terug naar de basis. Maar leven de mensen dan ook een prettiger leven? Is men hier gelukkiger?
En plots verschijnt er een regenboog. De regen is gestopt. En we denderen door.
2 augustus 2013, Ergens tussen Yangon en Bagan, Myanmar

